|
Doel, status en reikwijdte |
|
|
Doel van het protocol
Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen ten dienste van ontheffingaanvragen voor de Flora en Faunawet. Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie.
Het protocol bundelt daartoe de bestaande kennis over onder meer de beste veldcondities, de perioden voor onderzoek, het aantal en de duur van veldbezoek. Het protocol geeft niet aan onder welke condities vleermuizen kunnen voorkomen maar onder welke condities de aanwezige vleermuizen het best kunnen worden waargenomen. Het protocol is opgesteld om het aanvragen van ontheffingen voor de Flora en Faunawet optimaal te laten verlopen. Wanneer het protocol in essentie is gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. In het bijzonder wanneer de aanwezigheid van gebiedsfuncties of soorten wordt uitgesloten zou een onderzoek volgens het protocol als juridisch voldoende moeten worden aangemerkt. Het toepassen van het protocol geeft grote mate van zekerheid dat de Dienst Landelijk Gebied geen aanvullend inventarisatieonderzoek verlangt bij een ontheffingsaanvraag en dat een onderzoek stand houdt in een eventuele juridische procedure. Status van het protocol Het protocol voor het inventariseren van vleermuizen is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. In expertmeetings zijn in 2008 de voorschriften ontwikkeld en op basis van toepassing gedurende het seizoen in 2008 en 2009 geëvalueerd. De voor u liggende versie is uitgebracht op 5 maart 2010. Volgens de GaN is het protocol gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten, voldoet het aan de eisen die het bevoegd gezag stelt en biedt het eenduidigheid over het begrip “gedegen onderzoek’’ uit de Flora en Faunawet. Het protocol wordt onder auspiciën van de Gegevensautoriteit Natuur aan de hand van opgedane ervaringen en nieuwe onderzoekskennis, bijvoorbeeld over het voorkomen van soorten, seizoensactiviteit of nieuw onderkende gebiedsfuncties, jaarlijks geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd. Naar de mening van bij het vakberaad betrokken vleermuisdeskundigen zijn de gebruikte data voor vleermuissoorten onder de Nederlandse omstandigheden onvoldoende gedocumenteerd en derhalve op basis van ‘expert judgement’ tot stand gekomen en grotendeels niet aan de hand van literatuurverwijzingen. Reikwijdte van het protocol De reikwijdte van het protocol is afgestemd op het vaststellen van gebiedsfuncties voor het aanvragen van ontheffingen voor de Flora en faunawet, op de beschikbaarheid van kennis en op het gebruik van de naar de stand van wetenschap en techniek gebruikelijke niet invasieve technieken. De consequenties voor de reikwijdte zijn als volgt:
- De wetenschappelijke basis voor dit protocol ligt in expert judgement van vleermuisdeskundigen bij adviesbureaus en de Zoogdiervereniging. Het expert judgement is gebaseerd op veldkennis, literatuurkennis en onderlinge discussie en vormt daarmee de meest actuele stand van de wetenschappelijke kennis.
- Het protocol waaronder de determinatie van de soorten is, uitzonderingen daar gelaten, gericht op het onderkennen van de specifieke soort, aangezien de identificatie van de soort juridisch noodzakelijk is.
- Het protocol dekt alle voorkomende soorten in Nederland, met name bij gebruik van detectors met time expansion (TE, tijdverlenging) met digitale recorders (opnamen). Voor de meest voorkomende situaties en soorten is voldoende kennis beschikbaar om protocolhandelingen (aantal bezoeken, tijdsduur, condities voor veldwerk) te beschrijven in het veldprotocol.
Overige soorten (zoals kleine dwergvleermuis) en situaties vragen in voorkomende gevallen extra aandacht bij geprotocolleerde bezoeken of ‘nader onderzoek’.
- Vleermuisinventarisatie blijft maatwerk dat niet volledig in protocollen is te vangen. De protocollen zijn een hulpmiddel voor de ecologisch geschoolde waarnemer en geen blind te volgen voorschriften. Afwijken van de protocollen kan nodig zijn en dient in de rapportage verantwoord te worden. De beschikbaarheid van tijd en geld mag echter niet bepalend zijn voor het volgen van het protocol, de motivatie kan alleen ecologisch inhoudelijk, bijvoorbeeld dat de (goed te omschrijven) weersomstandigheden hebben geleid tot andere waarneemperioden.
- De benodigde personele en materiële inzet (zoals een luisterset) wordt in het protocol niet voorgeschreven. De inzet is afhankelijk van de omvang en complexiteit van het onderzoeksgebied of de te onderzoeken objecten. Voorschriften daarvoor zijn met de huidige stand van de kennis niet beschikbaar, de inzet is gebaseerd op de deskundigheid van de onderzoeker. Gebruik van het protocol leidt tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van soort(en) en gebiedsfuncties, en niet altijd automatisch tot het bepalen van het belang van aanwezige gebiedsfuncties voor de instandhouding van lokale (sub)populaties. Daarvoor kan nader onderzoek vereist zijn, zoals het vaststellen van het aantal aanwezige individuen, bijvoorbeeld in het kader van onderzoek naar compenserende maatregelen.
- Het protocol gaat uit van de meest gebruikte technieken: zichtwaarnemingen (inclusief beeldmateriaal), geluidswaarnemingen (inclusief opnamen en sonogrammenanalyse), handwaarneming en (sporen)vondsten van dieren. Andere technieken zijn beschikbaar maar vragen meer specifieke werkwijzen.
|