Vleermuizen

Vleermuis atlas

Onderzoek en bescherming

Jaar van de vleermuis

Home Over onderzoek Onderzoek naar gebruiksfunctie
Onderzoek naar gebruiksfunctie Afdrukken E-mail

Vleermuizen leven in een netwerk van verblijfplaatsen, voedselgebieden en in de verbindingsroutes daartussen. In de avondschemering verlaten de dieren hun slaapplaatsen en vliegen via vaste routes langs waterwegen of bomenrijen naar de voedselgebieden. Deze routes bieden beschutting tegen wind en tegen mogelijke vijanden en zij dienen ook als oriëntatiepunt. Elk dier heeft zijn eigen verzameling jachtgebieden. De keuze van het voedselgebied verschilt per individu, per reproductieve status (onder andere zwanger,

zogend of paringsbereid) en per seizoen. Ook weersomstandigheden en het insectenaanbod spelen een rol.

 

In het voor- en najaar trekken de dieren langs vaste routes van en naar hun winterverblijven. In de buurt van de winterverblijven ontmoeten beide seksen elkaar en wordt er gepaard. Kortom, vleermuizen gebruiken een netwerk dat uit drie elementen bestaat (in dit rapport ook gebruiksfuncties genoemd): verblijfplaatsen, voedselgebieden en verbindingsroutes. Het voortbestaan van de populatie vleermuizen is afhankelijk van het functioneren van dat netwerk. Zo zullen in een geschikt voedselgebied zonder verblijfplaatsen of in een gebied met doorsnee vliegroutes geen vleermuizen aangetroffen worden.

 

Gebruiksfuncties

De drie elementen die samen het netwerk van vleermuizen vormen, zien er als volgt uit:

  1. Vleermuizen gebruiken een aantal verschillende verblijfplaatsen. De verschillende typen vleermuisverblijven worden ingedeeld naar functie en naar gebruikperiode. We bespreken om beurten zomer-, tijdelijke, paar- en winterverblijfplaats. Het zomerverblijf lijkt vaak niet op het winterverblijf: zo leeft de watervleermuis in de zomer meestal in bomen, terwijl hij in de winter in bunkers verblijft. Ook hebben verschillende soorten vleermuizen verschillende wensen wat betreft hun verblijfplaatsen, zo leeft de ruige dwergvleermuis het liefst alleen of in kleine groepjes, terwijl de meervleermuis meestal in grote groepen leeft. Vleermuizen zijn over het algemeen niet makkelijk in hun verblijf waar te nemen: ze zitten vaak op donkere plekken en houden er bovendien van om weg te kruipen in kieren of achter loszittend materiaal.
  2. Alle Nederlandse vleermuissoorten eten insecten en spinnen. Hun voedsel vinden ze op een heel divers aantal plekken, zoals onder andere in sloten, kanalen, plassen, bossen, bosranden, parken, bomenrijen, stadstuinen, weilanden en akkers. Iedere vleermuissoort heeft zijn eigen jachttechniek om insecten te vangen. Zo jagen water- en meervleermuis vooral op laagvliegende insecten en ‘’harken’’ ze in hun vlucht insecten van het wateroppervlak. Grootoorvleermuizen gebruiken hun grote oren om hun prooien, voornamelijk nachtvlinders, op te sporen. Dwergvleermuizen en rosse vleermuizen vangen vooral prooien in de lucht. Een groep vleermuizen heeft een groot gebied nodig om voor elk individu de gehele zomer voldoende voedsel te verschaffen. Het ruimtegebruik van een groep verschilt per soort. Meervleermuizen vliegen met gemak 10-15 kilometer naar hun voedselgebieden en beslaan hierbij een gebied van ongeveer 350 tot 700 vierkante kilometer. Een groep dwergvleermuizen beslaat een veel kleiner gebied, met een gemiddelde homerange van 1,5 tot 2 kilometer beslaan ze een gebied van ongeveer 7 tot 12 vierkante kilometer.
  3. Vliegroutes en migratieroutes zijn respectievelijk routes tussen een verblijfplaats en een voedselgebied en tussen een zomer -en een winterverblijfplaats. Over het algemeen gebruiken vleermuizen dezelfde landschapselementen voor beide typen bewegingen, het jaargetijde waarop de route gebruikt wordt verschilt echter. Vliegroutes worden het gehele zomerseizoen (afhankelijk van de soort van maximaal 15 april tot 15 oktober) gebruikt, terwijl migratieroutes vooral belangrijk zijn in het voor en het najaar (afhankelijk van de soort respectievelijk 15 maart tot 15 april en 15 juli tot 15 oktober). Vleermuizen gebruiken het liefst lijnvormige landschapselementen als vlieg -of migratieroute. Dit soort elementen zijn naast een belangrijk middel bij oriëntatie in het landschap ook een belangrijke voedselbron. Voorbeelden van veel gebruikte landschapselementen zijn bomenrijen, bosranden, verhoogde dijktaluds, sloten, rivieren en kanalen.

 

Type verblijfplaatsen

Hier volgt een korte beschrijving van de verschillende verblijfplaats typen gebruikt door vleermuizen:

  • Zomer- of kraamverblijfplaats: De vrouwtjes wonen in de zomer (afhankelijk van de soort van 15 april tot 15 juli) in kraamverblijfplaatsen. Hier brengen ze hun jongen groot. Meestal leven ze hierbij in groepen (kolonies).
  • Zomer- of mannenverblijfplaats: De mannetjes wonen in de zomer soms solitair, soms ook in groepen, maar altijd op een andere plaats dan de vrouwtjes van hun soort.
  • Tijdelijke verblijfplaats: Vaak kennen vleermuizen ook tussenkwartieren, waar ze slechts kort verblijven tijdens de reis van hun winterverblijf naar zomerkolonie en andersom (afhankelijk van de soort van maximaal 15 maart tot 15 mei en van 15 juli tot 30 augustus).
  • Paarverblijfplaats: Zowel de mannetjes als de vrouwtjes verblijven aan het einde van de zomer (afhankelijk van de soort van maximaal 15 juli tot 15 oktober) in speciale paarkwartieren. Meestal verblijven mannetjes langdurig in een paarverblijf, terwijl de vrouwtjes slechts kort verblijven om te paren. Om vrouwtjes naar hun paarverblijven te lokken, baltsen sommige vleermuizen; andere soorten vertonen zwermgedrag (= met een groep vleermuizen rondvliegen). Voor de meeste soorten worden paarverblijven ook als winterverblijfplaats gebruikt.
  • Winterverblijfplaats: Vleermuizen overwinteren van 15 oktober tot 15 april in gebouwen, bunkers, ijskelders, groeven en ook in boomholtes. Omdat de meeste winterverblijfplaatsen ook als paarverblijfplaats worden gebruikt, kunnen al vanaf 15 juli vleermuizen in de winterverblijfplaatsen worden waargenomen. Dit zijn meestal mannetjes die alvast de buurt verkennen en hun territorium afbakenen.

 

Gebruiksfuncties inventariseren

Het doel van een gebruiksfunctie inventariseren is:
  • vaststellen welke soorten
  • inschatting maken van het belang van een route/verblijfplaats/voedselgebied (hoe meer dieren, hoe belangrijker)

 

Het is over het algemeen gemakkelijker om aan te tonen dat een soort ergens wel voorkomt dan dat een soort ergens niet voorkomt. Om zeker te weten dat voldoende onderzoeksinspanning geleverd is om aan te tonen dat een beschermde soort ergens niet voorkomt, is het essentieel een bepaalde onderzoeksinspanning te leveren. Ditzelfde geldt ook voor het aantonen van gebruiksfuncties (vlieg/migratieroute, verblijfplaats of voedselgebied). Naast betrouwbaarheid van informatie speelt ook vergelijkbaarheid een belangrijke rol. Het nut van een bepaald gebied voor een populatie vleermuizen kan alleen met het nut van een ander gebied vergeleken worden als in beide onderzoeksgebieden een vergelijkbare onderzoeksinspanning is geleverd. Een duidelijke richtlijn hoe vleermuizen te inventariseren is te vinden onder de volgende link.

 

Een algemeen probleem bij het inventariseren van gebruiksfuncties van vleermuizen is de variatie waarmee vleermuizen hun leefgebied gebruiken. Bij sommige weersomstandigheden (bv harde wind) worden delen van een leefgebied gemeden, terwijl andere delen (bv een windluwe plek) juist opgezocht worden. Ook gedurende het seizoen vindt variatie plaats, zo zijn ondiepe waterwegen al in het vroege voorjaar erg in trek bij vleermuizen (zijn snel warm en leveren dus al snel insecten), terwijl diepe waterwegen juist in het najaar geliefd zijn bij vleermuizen. Door de variatie in gebruik is het altijd verstandig meerdere keren per jaar een gebied te inventariseren en ook het liefste bij verschillende weersomstandigheden.


Auteur: A-J Haarsma

 
Vleermuis.net is een website van de VLEN en de Zoogdiervereniging
All Rights Reserved | © 2012 , Info
Joomla website en webhosting door NetSolid