Eerste veldonderzoek
Het eerste veld onderzoek in Nederland werd uitgevoerd met minimale hulpmiddelen, de batdetector bestond nog niet in die tijd. In America werd in het begin van de vorige eeuw succesvol onderzoek uitgevoerd naar het migratiegedrag van vleermuizen. In navolging van dit onderzoek zijn de broers Leo en Pieter Bels in 1936 ook gestart met vleermuisonderzoek. Eerst aan rosse vleermuizen in de omgeving van Haarlem en later ook aan overwinterende vleermuizen in de mergelgroeven in Limburg. Voor het eerste onderzoek werden
vogelringen gebruikt die met de hand werden aangepast (geen scherpe kantjes) aan vleermuizen. Door vleermuizen te merken, los te laten en later weer terug te vinden kon het migratiegedrag van vleermuizen in kaart gebracht worden. Toendertijd waren nog nauwelijks zomerverblijven van vleermuizen bekend. Als een geringde vleermuis toevallig dood op een stoep werd aangetroffen leverde dit belangrijke nieuwe verspreidingsgegevens op.
In 1957 kwam een einde aan het intensieve ringonderzoek in Limburg. Sommige soorten vleermuizen, zoals de kleine hoefijzerneus, waren bijna verdwenen uit Limburg en ook met andere soorten ging het slecht. Als oorzaak wees men het gebruik van insecticides (oa DDT) en het ringonderzoek in de winter aan. Als alternatief voor ringonderzoek ging men de aantallen overwinterende vleermuizen in Limburg systematisch tellen: de start van een nog steeds lopend monitoringsproject. Uit grafieken over aantalsverloop blijkt dat alle soorten, behalve de watervleermuis (Myotis daubentonii), tot in het begin van de zeventiger jaren een sterke mate van achteruitgang vertoonden. Na die tijd hebben de aantallen zich enigszins hersteld, maar ze zijn nog lang niet terug op het oude niveau.
Als uitbreiding van de wintertellingen in Limburg werden vanaf de jaren 60 ook winterverblijfplaatsen in andere delen van Nederland ontdekt en geteld. Zo werden vleermuizen aangetroffen in ijskelders, bunkers en kelders. Het aantal objecten is de laatste jaren sterk toegenomen, toch worden nog steeds nieuwe winterobjecten van vleermuizen ontdekt. Zo blijken vleermuizen ook in holle delen van bruggen te overwinteren en met moderne technieken gaat het misschien binnenkort mogelijk zijn om overwinterende vleermuizen in spouwmuren van woonhuizen te zien.
Ontdekking van echolocatie
Naast onderzoek naar vleermuizen in winterverblijven wordt ook ook steeds meer onderzoek naar vleermuizen in de zomer uitgevoerd. Dit onderzoek kunnen we uitvoeren dank zij de ontdekking van de echolocatie. Al in 1793 verrichtte de Italiaanse geleerde Lazzaro Spallanzani onderzoek naar het geheimzinnige vermogen van vleermuizen om in volslagen duisternis rond te kunnen vliegen zonder tegen obstakels te botsen en zelfs voedsel te kunnen vinden. Hij liet vleermuizen in totale duisternis door een hiindernis van draden vliegen. Een voor een schakelde hij de zintuigen van de vleermuizen uit. Zo kwam hij erachter dat vleermuizen met uitgestoken ogen knog steeds hun weg vinden, terwijl vleermuizen met messing buisjes in de oren wèl tegen obstakels aan. vlogen Spallanzani concludeerde uit zijn proeven dat vleermuizen met behulp van het gehoor voorwerpen kunnen waarnemen en obstakels kunnen ontwijken. In dezelfde tijd beweerde de Franse onderzoeker George Cuvier, zonder ooit een proef te hebben genomen, dat vleermuizen met behulp van een hoog ontwikkelde tastzin (vooral gelegen in de vleugelhuid) voorwerpen kunnen waarnemen. Aangezien Cuvier een gezaghebbende en beroemde onderzoeker was en Spallanzani niet, bleef zijn foutieve mening tot in de 20e eeuw toonaangevend. Pas in 1920 kon de Engelsman H. Hartridge tegen Cuviers hypothese inbrengen dat vleermuizen vermoedelijk hoogfrequente, voor de mens niet-waarneembare geluidengolven uitzenden en de echo daarvan voor oriëntatie gebruiken. Tenslotte lukte het de Amerikaanse zoöloog Donald R. Griffin in 1938, met een door de fysicus G.W. Pierce ontworpen apparaat, te bewijzen dat vleermuizen inderdaad ultrasone geluiden produceren met frequenties hoger dan 20 kiloHerz (kHz), en, zoals later bleek, tot aan 100 kHz toe. Dat is boven onze gehoorgrens, die rond 18-20 kHz ligt. In de drie volgende jaren toonden Griffin en zijn collega R. Galambos ondubbelzinnig aan dat vleermuizen de teruggekaatste echo’s van hun ultrasone geluiden gebruiken om obstakels te lokaliseren en hun omgeving ‘af te tasten’. Onafhankelijk van dit onderzoek kwam de Nederlander Sven Dijkgraaf in 1943, uitsluitend op grond van gedragsproeven, tot dezelfde conclusie. Griffin introduceerde voor deze vorm van oriëntatie het begrip 'echolocatie, . Na de Tweede Wereldoorlog, tijdens welke de fysieke aspecten van echolocatie door de wetenschap uitgebreid onderzocht werden, gingen onderzoekers zich richten op ethologische en neurofysiologische methoden om verdere details omtrent echopeiling door vleermuizen te doorgronden.
Eerste batdetector
De eerste batdetectors waren grote, onhandelbare dingen die eigenlijk alleen geschikt waren voor gebruik in het laboratorium. Ze moesten getransporteerd worden met auto’s en konden in het veld niet gemakkelijk meegenomen worden. Deze batdetectors werden dan ook alleen gebruikt om hier en daar onderzoek op een vaste locatie gemakkelijker te maken. Je kon een vliegende vleermuis in het donker eerder horen aankomen met behulp van een batdetector dan dat je hem zag. Determineren van soorten op geluid was er nog niet bij: dat gebeurde nog altijd door het vangen van enkele exemplaren. In 1982 werd in Nederland het eerste onderzoek gedaan met een ander type batdetector, dan in andere landen (Zweden, Groot-Brittannië) al langer werd gebruikt. Het was een draagbare ontvanger die wèl geschikt was om al lopende mee te nemen en dus voor inventarisatiedoeleinden ideaal was. Vanaf die tijd nam het aantal mensen toe dat met zo’n detector rondliep van enkele begin jaren tachtig tot ruim honderd tien jaar later. De stichting vleermuis onderzoek werd in januari 1986 in het leven geroepen om het onderzoek met behulp van batdetectors te stimuleren en te coördineren.
Vleermuisatlas project
Om inzicht te krijgen in het voorkomen van vleermuizen in Nederland in 1984 het Vleermuis atlas project gestart. Alle vleermuiswerkers werden gevraagd hun waarnemingen door te geven. Waarnemingen werden centraal verzameld en opgenomen in een landelijke database. Op basis van deze gegevens zijn atlassen samengesteld. (oa atlas van de Nederlandse vleermuizen). Deze atlas is ondertussen alweer enigzins verouderd: sommige zeldzame vleermuissoorten zoals de franjestaart en de tweekleurige vleermuis blijken een veel bredere verspreiding te hebben dan in de atlas staat weergegeven. Daarom is de Zoogdiervereniging begonnen aan een digitale atlas (www.zoogdieratlas.nl) Waarnemingen voor deze atlas kunnen door worden gegeven via bijvoorbeeld waarneming.nl, voor heel speciefieke vleermuiswaarnemingen is ook vleermuis.net iook een atlas onderdeel ingericht.
Overig vleermuis onderzoek
|