Gewone baardvleermuisMyotis mystacinus |
Uiterlijk
De
baardvleermuis is een kleine soort van 4 tot 8 gram met een spanwijdte van 19
tot 22,5 cm. Hij heeft een lichte grijzige buikvacht en een donkerbruine tot
geelbruine rugvacht. De snoet en de onderarmen zijn donkerbruin tot zwart. De
oren van de baardvleermuis zijn kort, donkerbruin en relatief spits uitlopend.
De tragus van de baardvleermuis reikt bijna tot de helft van het oor en heeft
een spitse punt.
De baardvleermuis wordt ook wel de gewone baardvleermuis genoemd. Dit om hem
te onderscheiden van de Brandt's vleermuis (Myotis
brandtii), die ook wel grote baardvleermuis wordt genoemd. Deze twee soorten
zijn bij zichtwaarnemingen en met de batdetector niet of zeer moeilijk van elkaar
te onderscheiden. Tot nu toe zijn beide soorten alleen op grond van gebitskenmerken
en bij mannetjes aan de vorm van de penis met zekerheid van elkaar te onderscheiden.
Zie een vleermuizen- of zoogdiergids voor meer informatie over deze determinatiekenmerken.
Verspreiding
De baardvleermuis komt in heel Nederland voor, maar is over het algemeen een
zeldzaamheid. Uit met name de zomerperiode zijn maar weinig waarnemingen bekend.
Dat komt waarschijnlijk doordat de baardvleermuis met een batdetector moeilijk
van enkele andere Myotis-soorten onderscheiden kan worden. Er zijn wel verspreid
over heel Nederland kolonies gevonden, en zicht- en detectorwaarnemingen gedaan.
In de winter wordt hij echter vrijwel overal in Nederland aangetroffen, met
(in vergelijking tot andere soorten) redelijk grote aantallen. Van de baardvleermuis
is bekend dat hij doorgaans tussen zomer- en winterverblijf geen grote afstanden
aflegt zodat deze soort in de zomer mogelijk algemener is dan tot nu bekend.
Habitat
Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige,
gesloten landschappen. Daarbij jagen ze vooral in open ruimtes, zoals boven
paden, beken, open plekken en langs houtwallen. Meer dan de andere soorten jaagt
hij ook in of bij naaldbos.
Tijdens het jagen vliegen baardvleermuizen vaak dezelfde trajecten boven paden
of langs bosranden of vliegen ze steeds dezelfde rondjes boven een open plek.
Baardvleermuizen vangen insecten uit de lucht zonder veel van de vliegbaan af
te wijken. Het zijn vooral kleinere prooidieren zoals dansmuggen, langpootmuggen,
steenvliegen, haften, kleine libellen, kevers en nachtvlinders.
Baardvleermuizen keren tijdens de nacht zelden terug naar hun verblijfplaats
maar rusten tijdens de jacht regelmatig uit door ergens aan een boomstam of
tak te gaan hangen.
Verblijfplaatsen
De baardvleermuis bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders
of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen. Kraamkolonies
bereiken groottes van 10 tot 100 individuen. Het merendeel van de dieren jaagt
binnen een afstand van 1 tot 3 km van de verblijfplaats. De baardvleermuis vliegt
bij voorkeur langs lijnvormige structuren in het landschap.
Winterslaap
Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt: mergelgroeven,
bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders.
De winterslaapstrategie lijkt die van de stabiele slaper te zijn, waarbij relatief
goed lage temperaturen verdragen worden. De winterslaap duurt van oktober tot
maart of april.
Tekst: IKL
Tekstbewerking: Erik Korsten
Home
(met menu !) | nieuws
| sitemap | index
A-Z | zoeken | feedback
| over de website
over vleermuizen
| vleermuizen in
Nederland | vleermuizen
in huis | vleermuis
gevonden? |
bescherming
| onderzoek en monitoring
| landelijke telavond
| werkgroepen
|
agenda | literatuur
| links
![]() |
© Vereniging
voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ), 2003. Niets
van deze website mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel
van druk, microfilm, fotocopie, plaatsing van teksten en/of afbeeldingen
op andere websites of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de auteurs/makers. Over
copyright. |