Hulp bij bouwplannen en bomenkap

Alle soorten vleermuizen zijn wettelijk beschermd door de Wet natuurbescherming

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn wettelijk strikt beschermd, zowel op basis van de Europese Habitatrichtlijn als in de Nederlandse Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb beschermt zowel natuurgebieden (gebiedsbescherming) als soorten planten en dieren op het gehele grondgebied van Nederland (soortbescherming). Het beschermen van verblijfplaatsen van vleermuizen, en hun functionele leefomgeving zoals jachtgebieden en vliegroutes, is erg belangrijk voor het voortbestaan van vleermuispopulaties in Nederland. In Nederland zijn diverse Natura 2000-gebieden aangewezen vanwege het grote belang voor het voortbestaan van vleermuispopulaties in Nederland en Europa. Ook buiten deze specifieke Natura 2000-gebieden zijn vleermuizen beschermd (Wnb hoofdstuk 3 soortbescherming).

Bij initiatieven zoals bouwplannen en bomenkap moet voor beschermde soorten worden aangetoond dat het initiatief niet leidt tot negatieve effecten en dat ‘verslechtering van de staat van instandhouding’ van de desbetreffende soort wordt voorkomen. Belangrijk is dat de Wnb niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen beschermt, maar ook de hierbij horende leefomgeving om deze verblijfplaatsen te kunnen laten functioneren (‘functionele leefomgeving’). Daarom is, bij plannen en projecten die van negatieve invloed kunnen zijn op verblijfplaatsen van vleermuizen, een initiatiefnemer verplicht om gedegen onderzoek te doen naar het voorkomen en de functies van het plan- of projectgebied voor vleermuizen. Hierna volgt een toetsing, waarbij wordt beoordeeld of er sprake is van negatieve effecten, en zo ja, of er mogelijkheden zijn om deze te beperken of te voorkomen en of er een alternatief bestaat voor het plan of project.

Meer informatie over de wet Natuurbescherming en de toepassing hiervan bij plannen en projecten is te vinden op deze link.

Wat voor initiatieven moeten onderzocht en getoetst te worden?

We maken onderscheid tussen activiteiten die slechts tijdelijk van aard zijn (bijv. alleen tijdens de aanlegfase) en activiteiten die permanent een omgeving veranderen.

Voorbeelden van projecten van tijdelijke aard en hun potentiële effect op vleermuizen zijn

Omschrijving project   Potentieel effect op vleermuizen
 Nachtelijke renovatiewerkzaamheden aan infrastructuur (spoor, weg, waterweg).  Hinder van vleermuizen die de infrastructuur moeten passeren op hun vliegroute (verlichting). Indien de vliegroute essentieel is voor een populatie, kunnen negatieve effecten optreden.
 Werkzaamheden aan waterwegen of bruggen waardoor een waterweg in de zomermaanden worden afgesloten en/of ’s nachts verlicht.  Hinder voor vleermuizen als de vliegroute van vleermuizen.
 Renovatieprojecten aan huizen, flats, gebouwen. Hierbij komen de gebouwen in de zomermaanden in de bouwsteigers te staan. De aanwezige vleermuisverblijven zijn na afloop van de werkzaamheden nog aanwezig.  Hinder van een verblijfplaats van vleermuizen (dieren kunnen niet uitvliegen, mogelijk last van verlichting). Een verblijfplaats is altijd essentieel voor een populatie.

 

Voorbeelden van effecten met een permanent effect zijn:

 

Omschrijving project   Potentieel effect op vleermuizen
Kap bomenrijen, oudere bomen, houtopstanden* In bomen of in de takken van bomen kunnen zich vleermuisverblijfplaatsen bevinden. Bij dit soort beheerswerkzaamheden bestaat daarom de kans dat vleermuisverblijfplaatsen worden vernietigd. Bij kapwerkzaamheden aan bomenrijen kan een vliegroute worden aangetast.
Renovatie van gebouwen (gevels, zolders), na-isolatie. Indien vleermuizen in de gebouwen verblijven, worden hun verblijfplaatsen vernietigd of beschadigd. Na-isolatie kan tevens leiden tot doden of verwonden van dieren of gehele kolonies.
Aanbrengen van nieuwe verlichting of het aanpassen van bestaande verlichting in de buitenruimte. De buitenruimte wordt meer (of anders) verlicht dan voor deze aanpassing. Nabijgelegen vleermuisverblijven of vliegroutes kunnen hiervan hinder ondervinden.
Dempen van een watergang. Een watergang kan dienen als vliegroute voor vleermuizen. Indien deze gedempt wordt, bestaat de kans dat een vliegroute verdwijnt.

  * alleen een kapmelding voor houtopstanden volstaat in diverse gevallen vaak niet, zeker bij oudere bomen of bomenrijen is doorgaans vleermuisonderzoek nodig om effecten te kunnen bepalen of uitsluiten.

 

Wat te doen bij een project in uw buurt?

Voor projecten met een potentieel negatief effect op vleermuizen is altijd een natuuronderzoek nodig. U kunt bij de initiatiefnemer, gemeente of provincie navragen of dit ook daadwerkelijk is gebeurd. In sommige gevallen liggen (ontwerp) beschikkingen openbaar ter inzage. Vaak gaat dit digitaal op de websites van betreffende gemeente, provincie en/of omgevingsdienst. Soms wordt tevens gekozen voor publicaties in lokale kranten. Indien u van mening bent dat een project onterecht wordt uitgevoerd, zonder dat hier een natuuronderzoek aan is voorafgegaan, kun u een melding doen bij provincie en/of omgevingsdienst (zie onder).

U kunt zelf ook zelf beoordelen of een natuuronderzoek en toetsing aan de natuurwetgeving goed is uitgevoerd, door de volgende punten te beoordelen:

  • Is het onderzoek uitgevoerd door een vleermuisdeskundige(n)? Gebruikelijk is om de kwalificaties van de onderzoeker(s) op te nemen. Bij grotere en/of onoverzichtelijke projectlocaties is het gebruikelijk dat onderzoek door meerdere vleermuisdeskundigen wordt uitgevoerd. Anders kunnen soorten en/of verblijfplaatsen worden gemist.
  • Is het onderzoek uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol? Bij plannen en projecten is het, vanwege de mogelijke gevolgen voor beschermde vleermuispopulaties, van groot belang dat gedegen onderzoek wordt uitgevoerd. Goede uitspraken over de effecten van een plan of project op beschermde vleermuizen staan of vallen bij de gratie van gedegen onderzoek. In Nederland zijn tussen de brancheorganisatie voor groene onderzoeksbureaus (Netwerk Groene Bureaus), de Zoogdiervereniging en het ministerie van Economische Zaken afspraken gemaakt over de eisen waaraan gedegene vleermuisonderzoek moet voldoen. Deze afspraken zijn vastgelegd in het vleermuisprotocol, dat periodiek tegen het licht wordt gehouden en wordt geactualiseerd. Let erop dat het onderzoek is uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol. Dit is te downloaden van de website van het Netwerk Groene Bureaus: http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol
  • Zijn alle mogelijke aanwezige vleermuissoorten onderzocht? Via de digitale zoogdieratlas (https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren) kunt u opzoeken welke vleermuissoorten in een gebied zouden kunnen voortkomen. De terreinkeuze van een vleermuissoort bepaalt daarnaast of een soort wel of niet voorkomt. Hierover is per vleermuissoort informatie te vinden op vleermuis.net. Het is, door het algemene voorkomen, gebruikelijk dat vleermuisonderzoek in de bebouwde kom zich in ieder geval richt op gewone en ruige dwergvleermuizen. Het niet expliciet noemen van bepaalde algemene vleermuissoort is een indicatie dat een onderzoek onvolledig is geweest.
  • Zijn alle mogelijke vleermuisfuncties onderzocht? Wat betreft ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende functies relevant: de verschillende verblijfplaatsen gedurende het jaar (kraamverblijf, zomerverblijf, paar- en baltsverblijf en winterverblijf), essentiële vliegroute en migratieroute. Vaak wordt ook de functie voedselgebied (jachtgebied) onderzocht, maar alleen zeer grote gebieden zullen essentieel zijn voor een populatie vleermuizen.

Effecten beoordelen, voorkomen, beperken of compenseren

Goed onderzoek bij plannen of projecten levert dus gegevens op over de functies van het plangebied voor vleermuizen. Op grond hiervan wordt door de initiatiefnemer beoordeeld welke effecten (kunnen) optreden op de functies voor vleermuizen. Hieruit kunnen meerdere conclusies volgen:

  1. er is geen effect op de aanwezige vleermuizenpopulaties: het initiatief kan doorgang vinden
  2. er is een effect op verblijfplaatsen van vleermuizen (en/of de functionele leefomgeving hiervan, maar door het nemen van maatregelen worden effecten volledig voorkomen of weggenomen. Het initiatief kan gewijzigd doorgang vinden, en de initiatiefnemer voert deze maatregelen aantoonbaar uit. Vaak komen dergelijke projecten niet onder ogen van het bevoegde gezag, maar neemt de initiatiefnemer zelf maatregelen. Dit kan voor beheer en onderhoud door te werken conform een goedgekeurde gedragscode (zie http://www.ondernemersplein.nl/regel/gedragscode-flora-faunawet/).
  3. Een derde optie is dat er door het initiatief wederom effecten zijn op verblijfplaatsen van vleermuizen, maar dat effecten maar gedeeltelijk kunnen worden weggenomen of verzacht (‘mitigatie’). Ook kan het zijn dat, omwille van het garanderen van de reeds genoemde ‘gunstige staat van instandhouding van de soort’ het nodig is om compenserende maatregelen te nemen. In dit soort gevallen kan een initiatief alleen doorgang vinden mét een ontheffing voor de Wnb. Die kan zelfstandig worden afgegeven door het bevoegd gezag (veelal de betreffende provincie, zie onder), maar soms ook als onderdeel van een zogenaamde omgevingsvergunning, waar dan de ontheffing Wnb onderdeel vanuit maakt. Deze omgevingsvergunning wordt, afhankelijk van het type project, vaak afgegeven door de gemeente of omgevingsdienst

Aan de hand van de verwachte effecten kan het project in diverse gevallen worden aangepast waarbij, soms door hele simpele maar effectieve maatregelen, waarbij effecten worden voorkomen of beperkt (mitigatie). Het gaat dan bijvoorbeeld om aanpassing van de uitvoeringsperiode waardoor kritieke perioden voor vleermuizen zoals de kraam- of overwinteringsperiode worden ontzien, of om het gericht gebruik maken van kunstlicht, waardoor vliegroutes worden ontzien. Indien mitigerende maatregelen niet afdoende zijn worden compenserende maatregelen getroffen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanbieden van nieuwe verblijfplaatsen of het realiseren van alternatieve vliegroutes. Meer informatie, over door de bevoegde gezagen voorgeschreven maatregelen zijn te vinden in zogenaamde soortenstandaards (beschreven per soort).

Hulp inschakelen

Er bestaan zeer veel groene bureaus die vleermuisonderzoek kunnen uitvoeren, soms als specialisme en soms als onderdeel van hun totaalpakket. Wees u ervan bewust dat de mate van ervaring en kennis wisselt tussen bureaus. Een overzicht van onderzoeksbureaus, dat is aangesloten bij de brancheorganisatie is te vinden via op de site van het Netwerk Groene Bureaus. Daarnaast is op Natuurnet.nl (http://www.natuurnet.nl/thema/indexngbinhoud.html) een overzicht opgenomen. Deze bureaus zijn ook te raadplegen voor het uitvoeren van een second opinion indien u twijfelt over de kwaliteit van reeds uitgevoerd onderzoek of effectbeoordelingen. U kunt hiervoor ook contact opnemen met één van de regionale vleermuiswerkgroepen.

Verzoek om handhaving door bevoegd gezag

Indien u het vermoeden heeft dat in een gebied plannen of projecten worden uitgevoerd die een negatieve invloed (kunnen) hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen (en/of de functionele leefomgeving) kunt u de initiatiefnemer of aannemer hierop aanspreken. Indien deze dan geen (goed) vleermuisonderzoek en/of ontheffing voor de wet Natuurbescherming (voor 1 januari 2017 de voormalige Flora- en faunawet) kan laten zien, biedt dit de mogelijkheid om bij start of tijdens de uitvoering een handhavingsverzoek in te dienen bij het bevoegde gezag voor de wet Natuurbescherming. Dit is in veel gevallen de betreffende provincie, of de namens de betreffende provincie gemandateerde omgevingsdienst. Indien de initiatiefnemer dan bij een bezoek van de handhavers geen afdoende onderbouwing kan laten zien, is er een mogelijkheid dat de werkzaamheden worden stilgelegd, en deze pas weer doorgang kunnen vinden na afdoende onderzoek en/of het nemen van voldoende maatregelen. Meer informatie per provincie is te vinden op de volgende websites:

Provincie Zuid-Holland (omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid): https://www.ozhz.nl/vergunningen-en-meldingen/groene-handhaving/

Provincie Noord-Holland (Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord): http://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming

Provincie Flevoland: https://www.flevoland.nl/Loket/Wet-Natuurbescherming

Provincie Utrecht: Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht: https://www.provincie-utrecht.nl/loket/vergunningen-en-ontheffingen/faunabeheer-en-schadebestrijding/achtergrondinfo/naleving-handhaving/

Provincie Zeeland: https://www.zeeland.nl/natuur-en-landschap/wet-natuurbescherming

Provincie Noord-Brabant: https://www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/natuur-en-landschap/natuurbeleid-wet-en-regelgeving/wet-natuurbescherming/vergunningverlening-toezicht-en-handhaving.aspx

Provincie Limburg: http://limburg.nl/Beleid/Milieu/Vergunningen/Natuurbeschermingswet/Aanvragen_vergunning_Natuurbeschermingswet

Provincie Gelderland: https://www.gelderland.nl/Wet-Natuurbescherming-Beschermde-soorten-ontheffing

Provincie Overijssel: //www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/@Lk(/wet-1/">http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/@Lk(/wet-1/

Provincie Drenthe: https://www.provincie.drenthe.nl/onderwerpen/natuur-milieu/natuur/wnb/soortenbescherming/overtreding/

Provincie Groningen: https://www.provinciegroningen.nl/beleid/natuur-en-landschap/de-natuur-in-groningen-is-voor-iedereen/nieuwe-wet-natuurbescherming/

Provincie Friesland: http://www.fryslan.frl/beleidsthemas/soortenbescherming-voormalige-flora-faunawet_41462/

 

Auteurs: Maarten Breedveld, A-J Haarsma, René Janssen